2.1.1 Werkweek

Voor fulltime rijdend personeel geldt een arbeidstijd van 40 uren per week, verdeeld over gemiddeld 5 dagen per week.
De parttime werknemer heeft een arbeidsovereenkomst van minder dan 40 uur per week. Het aantal overeengekomen uren moet in de arbeidsovereenkomst worden vastgelegd.
 

2.1.2 Bepalen standplaats

a. Elke werknemer heeft twee standplaatsen. Het woonadres van de werknemer is er te allen tijde één van.

b. De tweede standplaats is het adres (of indien er meer zijn: één van de adressen) waar het bedrijf zowel in administratieve zin (inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel) als materieel is gevestigd (hierna te noemen het vestigingsadres, zijnde standplaats). Met de term materieel wordt aangesloten bij de voorwaarden die de Kamer van Koophandel hanteert om een (neven)vestiging in te kunnen schrijven. Werkgever legt de standplaats schriftelijk vast en deelt deze mede aan werknemer.

c. Indien de werkgever geen vestigingsadres als standplaats bepaalt, heeft werknemer naast zijn woonadres als tweede standplaats het voor werknemer, gerekend vanaf zijn woonadres, dichtstbijzijnde vestigingsadres van werkgever. Echter, in geval werkgever geen vestigingsadres als standplaats heeft bepaald en de werknemer het meeste van zijn tijd begint en eindigt op een vestigingsadres dat verder weg ligt dan het dichtstbijzijnde vestigingsadres, dan dient toch uitgegaan te worden van het voor werknemer, gerekend vanaf zijn woonadres, dichtstbijzijnde vestigingsadres als standplaats.

d. Het staat werkgever en werknemer vrij om met wederzijds goedvinden een derde standplaats te bepalen, zijnde een tweede vestigingsadres of het adres van een andere werknemer, waar de werknemer een voertuig van de werkgever mee deelt. Deze derde standplaats wordt schriftelijk vastgelegd, voorzien van handtekening van zowel werkgever als werknemer.

e. In geval van uitzendkrachten moet, in afwijking van het bepaalde onder b, onder de standplaats verstaan worden: het vestigingsadres (of indien er meer zijn: één van de adressen) van het bedrijf waar de uitzendkracht te werk gesteld wordt. De uitzendonderneming bepaalt voorgaand bedoelde standplaats.

Toelichting

Het bepalen van standplaats is van belang om de te verlonen tijd te kunnen vaststellen.

Voorbeeld:
Werknemer heeft een woonadres, dat een standplaats is, een voertuig van werkgever bij het woonadres en heeft daarnaast één van de vestigingsadressen van werkgever als tweede standplaats. Omdat werknemer het voertuig deelt met een andere werknemer, hebben werkgever en werknemer met wederzijds goedvinden het woonadres van die andere werknemer ook als standplaats afgesproken.

 

2.1.3 Procedure wijzigen van de standplaats, zijnde het vestigingsadres

a.     Indien de conform artikel 2.1.2  lid b, c en e bepaalde standplaats, zijnde vestigingsadres, nadien wordt gewijzigd dient dit door de werkgever schriftelijk aan de werknemer medegedeeld te worden. Tussen het mededelen van de gewijzigde standplaats aan werknemer en het daadwerkelijk in kunnen gaan van de gewijzigde standplaats zit een periode van tenminste 5 werkdagen.

b.     Indien van de gewijzigde standplaats als bedoeld in lid a van dit artikel, daadwerkelijk gebruik gemaakt wordt, waardoor de enkele reisafstand 50 kilometer of meer extra wordt - vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie kortste route), in vergelijking met de reisafstand die vóór die standplaatswijziging aan de orde was - geldt een compensatie regeling. Deze compensatie regeling houdt in dat de werknemer gedurende de eerste zes maanden, gerekend vanaf het moment dat van de gewijzigde standplaats als bedoeld in lid a van dit artikel daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, ter zake de extra reistijd - vastgesteld op basis van de routeplanner van de ANWB (conform de optie snelste route), die een gevolg is van die standplaatswijziging - gecompenseerd wordt middels uitbetaling van functieloon aangaande die extra reistijd. De eventuele extra reiskosten zijn voor rekening van werknemer.

c.      De in lid b van dit artikel bedoelde compensatie vindt niet plaats indien de enkele reisafstand als gevolg van de standplaatswijziging minder dan 50 kilometer extra wordt in vergelijking met de reisafstand die voor die standplaatswijziging aan de orde was.

d.     Wijziging van de in artikel 2.1.2 lid d bedoelde derde standplaats kan enkel met wederzijds goedvinden gerealiseerd worden.

e.     De in lid b van dit artikel bedoelde compensatie vindt niet plaats bij het wijzigen van de derde standplaats conform het vorige lid van dit artikel.

Toelichting

De compensatie regeling is bedoeld om de werknemer - waarvan de standplaats (zijnde vestigingsadres) wijzigt waardoor de reisafstand (enkele reis) 50 km of meer extra wordt in vergelijking met de reisafstand die vóór die standplaatswijziging aan de orde was - een compensatie in tijd, voor een periode van 6 maanden, te vergoeden voor de extra tijd die werknemer in het kader van woon-werkverkeer moet maken om van/naar die gewijzigde vestiging te komen.

Voorbeeld:
De werkgever van werknemer wil het vestigingsadres dat werknemer heeft als tweede standplaats aanpassen. De werkgever maakt schriftelijk kenbaar aan werknemer wat de nieuwe standplaats wordt. Na vijf werkdagen gaat deze wijziging ook daadwerkelijk in. Het nieuwe vestigingsadres ligt 60 km (enkele reisafstand, gebaseerd op de optie kortste route in de ANWB routeplanner) verder ten opzichte van het oude vestigingsadres dat werknemer als standplaats had. Werkgever compenseert werknemer, gedurende 6 maanden, voor de extra reistijd (in dit voorbeeld is dat bijv. conform de snelste route ANWB routeplanner, 30 minuten extra enkele reis) die werknemer kwijt is als gevolg van deze standplaatswijziging.

Werknemer krijgt 2x 30 min = 1 uur gecompenseerd tegen het voor hem van toepassing zijnde functieloon.

 

2.1.4 Procedure wijzigen standplaats, zijnde het woonadres werknemer

Indien werknemer van woonadres verandert en deze verandering leidt tot extra reiskosten voor en/of extra reistijd van werknemer, in vergelijking met de situatie van vóór deze verandering, dan is dat voor rekening van werknemer. Indien het in voorgaande situatie om een werknemer gaat die het voertuig van werkgever bij het woonadres heeft staan, staat het werkgever vrij om te besluiten dat werknemer (na genoemde wijziging van het woonadres) niet langer een voertuig van werkgever bij het woonadres heeft staan.

Toelichting

Voorbeeld:
Werknemer gaat verhuizen en krijgt daardoor een ander woonadres. Dat woonadres ligt verder weg dan het oude woonadres. Eventuele extra reistijd of reiskosten die werknemer moet maken om naar het vestigingsadres te komen om een voertuig van werkgever op te halen (om zijn dienst te kunnen starten) of af te leveren (waarna zijn dienst eindigt) is voor rekening van werknemer. Indien deze werknemer een voertuig van werkgever bij het woonadres had, kan werkgever zoals altijd besluiten dat werknemer op het nieuwe woonadres geen voertuig van werkgever meer bij het woonadres heeft staan. Werknemer zal dus naar het vestigingsadres van werkgever toe moeten komen om vanaf daar zijn arbeid te gaan verrichten.

 

2.1.5 Verloonde tijd

Cao-partijen hebben een regeling verloonde tijd afgesproken. Deze regeling gaat in op 1 maart 2022.

a. Tot 1 maart 2022 blijft de regeling zoals deze was opgenomen in de oude artikelen 2.1.5. tot en met 2.1.12 onverkort van toepassing. De tekst van deze oude artikelen is opgenomen in bijlage 0.

b. Vanaf 1 maart 2022 vervalt de oude regeling en gelden de nieuwe regels zoals hieronder opgenomen in artikel 2.1.6 tot en met 2.1.15. In de periode vanaf 1 maart 2022 tot het gereedkomen van het portaal, als bedoeld in artikel 2.1.7 onder c, wordt een ieder geacht te werken conform het bepaalde in de nieuwe regeling.

 

2.1.6 Definitie dienst in de zin van verloonde tijd vanaf 1 maart 2022

Met diensten in de zin van verloonde tijd wordt bedoeld de maxflex-regeling of dienstblokken. Voor de definitie van dienst wordt verwezen naar artikel 2.1.8  en 2.1.9 van de cao.

 

2.1.7 Algemene uitgangspunten verloonde tijd vanaf 1 maart 2022

a.    Voor het bepalen van de verloonde tijd wordt onderscheid gemaakt tussen twee regelingen:

-        maxflex-regeling (maximering flexibiliteit)
-        dienstblokken

Nadere uitwerking van de regelingen is opgenomen in artikel 2.1.8 (maxflex-regeling) en 2.1.9 (dienstblokken)

b.    Een werknemer werkt op een dag in de maxflex-regeling of in dienstblokken. Een werknemer kan dus niet op één dag in de maxflex-regeling werken en ook nog in dienstblokken werken.

c.    Er wordt een portaal ontwikkeld door SFM. De werkgever dient de begin- en eindtijd van de dienst (diensten op grond van de maxflex-regeling of afzonderlijke blokken) via het portaal uiterlijk om 23.59 uur op de dag voorafgaand aan de dienst door te geven. Daarbij moet tevens aangegeven worden of de werknemer de betreffende dag in de maxflex-regeling of in dienstblokken werkt. Indien de werknemer pas op de dag zelf wordt opgeroepen vanwege piek en/of ziek en/of vanwege incidentele werkzaamheden die zich op de dag zelf aandienen en de werknemer wordt daartoe opgeroepen dan dient dit voorafgaand aan de dienst in het portaal te worden opgegeven. Opgave in het portaal dient eveneens op de dag van uitvoering te geschieden indien werknemer werkzaamheden verricht in het kader van een extra dienstblok als bedoeld in artikel 2.1.9.

d.    Aan het eind van de betalingsperiode dienen alle diensturen en dus minimaal alle contracturen (met uitzondering van ziekte en verlofuren) betreffende de betalingsperiode opgegeven te zijn in het portaal van SFM.

e.    Alle vooraf in het portaal aangemelde diensten zijn in beginsel het uitgangspunt voor de verloonde tijd. Afwijkingen op begin – en eindtijden van de dienst, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, en zowel in positieve als in negatieve zin, zijn bepalend voor de daadwerkelijke verloning. Het gestelde in artikel 3.12.2 is onverkort van toepassing.

f.      Werkgever bepaalt op welke conform artikel 2.1.2. vastgestelde standplaats de dienst aanvangt en op welke conform artikel 2.1.2 vastgestelde standplaats de dienst eindigt.

g.      De tijd benodigd met het reizen van het woonadres naar het vestigingsadres, zijnde standplaats, van werkgever en vice versa is geen verloonde tijd. Indien werkgever vraagt om het voertuig naar het vestigingsadres te brengen, staat het de werknemer vrij om daar geen gehoor aan te geven. Indien werknemer door werkgever aantoonbaar verplicht wordt het voertuig terug te komen brengen naar het vestigingsadres, dan is de werknemer gehouden daar gehoor aan te geven en is de reistijd benodigd om van het woonadres naar het vestigingsadres te komen verloonde tijd.

h.     Indien, in afwijking van lid f, werkgever aangeeft dat de werkzaamheden van werknemer eindigen op een locatie welke geen standplaats is en werknemer de volgende dienst daar ook weer aanvangt (enkel overnachtingen) dan eindigt de verloonde tijd op die locatie op het moment dat de dienst daar eindigt en vangt deze aan wanneer de dienst op die locatie ook weer aanvangt. Indien van voorgaande sprake is wordt dit schriftelijk vastgelegd, voorzien van een handtekening van werkgever en werknemer.

i.     De werkgever zal naast het gestelde in artikel 6 van het controlereglement SFM als opgenomen in de cao SFM het volgende bij een CAO controle door SFM aan moeten kunnen tonen:

  • de vastlegging van de standplaats(-en)
  • de wijziging van de standplaats
  • het tijdstip van de daadwerkelijke aanvang en einde van de dienst
  • de verplichting indien werknemer het voertuig terug moet komen brengen naar het vestigingsadres.
     

 

2.1.8 Maxflex-regeling vanaf 1 maart 2022

a.     Bij toepassing van de maxflex-regeling is de definitie van een dienst als volgt:

Een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht. Deze periode kan onderbroken worden door een of meerdere onbetaalde perioden waarin de werknemer geacht wordt niet ter beschikking te hebben gestaan van werkgever.

b.     De in sub a bedoelde onbetaalde periode waarin de werknemer geacht wordt niet ter beschikking te hebben gestaan van werkgever is maximaal 12,5% van de tijd per betalingsperiode, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT-gegevens, voor zover die betrekking hebben op de maxflex-regeling, met dien verstande dat het percentage van 12,5% het maximum percentage is dat forfaitair per betalingsperiode in het kader van verloonde tijd gemiddeld mag worden toegepast.

c.     De aanvang van de dienst op basis van de maxflex-regeling wordt door de werkgever van tevoren aan de werknemer kenbaar gemaakt.

 

2.1.9. Dienstblokken vanaf 1 maart 2022

a.     Bij toepassing van de dienstblokken is de definitie van een dienst als volgt:

Een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht. Deze periode kan onderbroken worden door een of meerdere onbetaalde perioden waarin de werknemer niet ter beschikking staat aan werkgever.

b.     De in sub a bedoelde onbetaalde periode is afhankelijk van de omvang van de arbeidsovereenkomst en wordt hierna uitgewerkt onder sub d en e.

c.     Voor  het systeem van dienstblokken wordt onderscheid gemaakt in contracten van 0 tot en met 28 uur per week en contracten boven de 28 uur per week.

d.     Voor contracten van 0 tot en met 28 uur per week geldt het volgende.

-          Er kunnen maximaal 4 dienstblokken gegeven worden in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur;

-          Een dienstblok heeft een minimale duur van 1 uur;

-          Tussen twee opeenvolgende dienstblokken zit minimaal een onbetaalde periode van 15 minuten. In deze 15 minuten staat de werknemer niet ter beschikking van de werkgever. Is de onbetaalde periode minder dan 15 minuten, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, dan wordt de tijd tussen de twee dienstblokken volledig doorbetaald.

-          Per dienstblok wordt door de werkgever de begin- en eindtijd van tevoren aan de werknemer bekend gemaakt;

-          Alle tijd binnen een dienstblok is te verlonen tijd. Afwijkingen op begin – en eindtijden van de dienstblokken, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, en zowel in positieve als in negatieve zin, zijn bepalend voor de daadwerkelijke verloning met inachtneming van een minimale duur van 1 uur per dienstblok.

-          Een extra dienstblok kan uitsluitend gegeven worden na akkoord van de werknemer;

-          Bij meer dan 4 blokken in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur, wordt, gebaseerd op de afwijkingen op basis van BCT gegevens, automatisch de maxflex-regeling als bedoeld in artikel 2.1.8 van toepassing, waarbij de aanvang van de maxflex-regeling overeenkomt met de begintijd van het eerste dienstblok en de eindtijd van de maxflex-regeling overeenkomt met de eindtijd van het laatste dienstblok.

e.     Voor contracten boven de 28 uur per week geldt het volgende

-          Er worden 2 dienstblokken gegeven in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur. De duur van die twee dienstblokken samen is minimaal 7 uur.

-          Tussen de 2 dienstblokken zit minimaal een onbetaalde periode van 2 uur. In deze tijd staat werknemer niet ter beschikking van werkgever. Is de onbetaalde periode, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, minder dan 2 uur dan wordt de tijd tussen de twee blokken volledig doorbetaald.

-          Per dienstblok wordt door de werkgever de begin- en eindtijd van tevoren aan de werknemer bekend gemaakt;

-          Alle tijd binnen de twee dienstblokken is te verlonen tijd; Afwijkingen op begin – en eindtijden van de dienstblokken, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, en zowel in positieve als in negatieve zin, zijn bepalend voor de daadwerkelijke verloning met inachtneming van een minimale duur van 7 uur per 2 dienstblokken

-          Bij meer dan twee dienstblokken in een aaneengesloten periode die gelegen is tussen twee onafgebroken rusttijden van tenminste 8 uur, wordt automatisch de maxflex-regeling als bedoeld in artikel 2.1.8. van toepassing, waarbij de aanvang van de maxflex-regeling overeenkomt met de begintijd van het eerste dienstblok en de eindtijd van de maxflex-regeling overeenkomt met de eindtijd van het laatste dienstblok, met inachtneming van een minimale duur van 7 uur, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens.

-          Wanneer tussen het begin van het eerste dienstblok en het einde van het tweede dienstblok, gebaseerd op de afwijkingen op basis van de BCT gegevens, meer dan 12 uur zit, geldt een toeslag van 10% over die uren waarmee de periode van  12 uur wordt overschreden.

 

Toelichting

Bij artikel 2.1.7 h:
Voorbeeld

Een werknemer woont in Amsterdam en staat daar ook ingeschreven. Dat is dan ook zijn woonadres (en standplaats zoals bedoeld in artikel 2.1.2a). Hij werkt maandag tot en met vrijdag in Utrecht. De vestiging van het bedrijf in Utrecht is zijn tweede standplaats (zoals bedoeld in artikel 2.1.2b). Hij rijdt een schoolroute in Utrecht, en verblijft door de week (overnacht) bij familie aldaar. Bij die woning staat ook het voertuig dat werknemer gebruikt voor deze schoolroute.

 

Gelet op het gestelde in artikel 2.1.7 h begint en eindigt de verloonde tijd in dit voorbeeld als volgt (waarbij werkgever heeft aangegeven dat de dienst op maandag aanvangt en op vrijdag eindigt op het vestigingsadres in Utrecht):

- Maandag: aanvang dienst (en dus verloning) vanaf vestigingsadres bedrijf in Utrecht (zijnde standplaats), einde dienst (en einde verloning) op locatie verblijfplaats familie in Utrecht;

- Dinsdag, woensdag en donderdag: aanvang (en begin verloning): verblijfplaats familie in Utrecht, aldaar ook einde dienst en einde verloning;

- Vrijdag: aanvang dienst (en begin verloning) op verblijfplaats familie in Utrecht, einde dienst (en einde verloning) op vestigingsadres bedrijf in Utrecht (zijnde standplaats).

 

Voorgaande is schriftelijk vastgelegd, voorzien van een handtekening van werkgever en werknemer.

 

2.1.10 Spelregels onbetaalde perioden vanaf 1 maart 2022

a.     Het is aan de werkgever en de bij hem werkzame werknemers om overleg te voeren over de benodigde faciliteiten tijdens een of meerdere onbetaalde periodes waarin werknemer buiten standplaats daadwerkelijk niet ter beschikking staat van werkgever.

b.     Zodra er daadwerkelijk sprake is van een onbetaalde periode waarin werknemer niet ter beschikking staat van werkgever, staat het de werknemer vrij om te doen en laten wat deze wil.

c.     Indien een werknemer zijn onbetaalde periode vervolgens op een andere locatie wenst door te brengen, dan is de aan- en afrijtijd resp. naar en van deze andere locatie onbetaalde tijd. Het staat de werknemer niet vrij om naar eigen inzicht voor het aan- en afrijden naar deze andere locatie een voertuig te gebruiken dat toebehoort aan de werkgever.

 

2.1.11 Standplaats en verloonde tijd inzake huisartsenvervoer

In afwijking van het gestelde in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.10 wordt onder standplaats verstaan: een huisartsenpost, daar waar een werknemer zijn dienst aanvangt en beëindigt.

In afwijking van het gestelde in de artikelen 2.1.2 tot en met 2.1.10 wordt onder verloonde tijd verstaan: alle tijd waarvoor werkgever de werknemer heeft ingeroosterd, gerekend vanaf de standplaats.

 

2.1.12 Taakuitvoering

De werknemer is verplicht om een voor het einde van zijn diensttijd opgedragen rit uit te voeren, tenzij op het moment van de opdracht was te voorzien dat daardoor wordt gehandeld in strijd met het Arbeidstijdenbesluit Vervoer.

 

2.1.13 Normering rijtijd

De rijtijd kan worden genormeerd bij zorgvervoer en taxivervoer waarbij personen behorend tot een beperkte groep volgens een schema op regelmatige tijden voor de duur van minimaal 6 maanden worden vervoerd. Normering vindt in dat geval plaats volgens de onderstaande methode:

a.  De werkgever bepaalt in eerste instantie de normtijd.

b.  Gedurende 14 dagen na aanvang van de werkzaamheden zal de werknemer dagelijks de tijd gemoeid met het rijden van de route noteren of via in het voertuig beschikbare meetapparatuur laten registreren.

c.  Op basis van de uitkomsten van de onder b gehouden meting wordt de definitieve normtijd vastgesteld, schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend. De definitieve normtijd gaat onmiddellijk in. Voor de arbeidstijdberekening wordt de nieuwe normtijd gehanteerd vanaf de datum van aanvang van de procedure.

d. In geval van structurele wijzigingen die van invloed zijn op de tijdsduur van de vervoerroute wordt de procedure onder a t/m c herhaald.

De tijd besteed aan andere werkzaamheden, waaronder tanken en schoonmaken, wordt niet genormeerd en dient afzonderlijk als arbeidstijd te worden geteld.

 

Indien werkgever en/of werknemer ten aanzien van de normering rijtijd bepaald volgens bovenstaande methode niet tot overeenstemming komen, zal werkgever een tweede persoon met betreffende werknemer gedurende één dag laten meerijden. Werknemer registreert ook gedurende die dag de tijd gemoeid met het rijden van de route of laat dat via in het voertuig beschikbare meetapparatuur registreren. Werkgever en werknemer bespreken vervolgens deze resultaten en komen aan de hand daarvan tot een normtijd. Deze wordt vervolgens schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend.

 

2.1.14 Normering woon-werkverkeer

De werkgever en de werknemer die belast is met vervoer kunnen in overleg besluiten dat de werknemer een personenauto mee naar huis neemt. In dat geval parkeert de werknemer het voertuig in de nabijheid van zijn woning. Bij aanvang van de volgende dienst kan de werknemer dan direct over het voertuig beschikken. Op de totale diensttijd worden maximaal 15 minuten per dag in mindering gebracht zijnde maximaal 7,5 minuten tot het eerste ophaaladres voor aanvang en maximaal 7,5 minuten vanaf het laatste uitstapadres. De tijd gemoeid met woon- werkverkeer is daarmee verrekend. Indien de tijd tot het eerste ophaaladres voor aanvang en de tijd vanaf het laatste uitstapadres minder dan 7,5 minuten bedraagt dient deze (werkelijke) tijd in mindering te worden gebracht op de totale diensttijd.

 

2.1.15 Arbeidstijdadministratie van de werkgever

De werkgever dient een inzichtelijke en deugdelijke administratie te voeren van de dagelijkse arbeidstijd van de werknemer.

Uit deze administratie kan worden afgeleid op welke tijdstippen de dienst begint, eindigt en wordt onderbroken in die zin dat de werknemer niet ter beschikking van de werkgever staat.

Werkgever verstrekt aan werknemer per betalingsperiode een overzicht van de uren die werknemer heeft gewerkt. De werkgever maakt per betalingsperiode op dag niveau inzichtelijk wat de verloonde tijd is geweest, of er gebruik is gemaakt van de maxflex-regeling of van dienstblokken en of er correcties zijn doorgevoerd. Het inzichtelijk maken kan via een chauffeursportaal (digitaal) en/of schriftelijk. Werkgever verstrekt tevens maandelijks een overzicht van de gemaakte extra uren, het aantal vergoede extra uren, de over de gemaakte extra uren opgebouwde vakantiebijslag en opgebouwde vakantie-uren. De vorm waarin dit gebeurt, is vrij. Onder extra uren wordt verstaan: het verschil in uren tussen de uren zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst en de daarboven gemaakte uren.